Logo Universiteit Utrecht

Academische vaardigheden kunsthistorici

1210 Theorieën

Onder een theorie verstaan we een stel samenhangende beweringen die ordening aanbrengen in een deel van de werkelijkheid. Met een theorie zet je de stap van losse feiten naar kennis.

Geen enkele theorie heeft universele geldigheid en bruikbaarheid. Er zijn vele verschillende theorieën, sommige breed en aspecifiek, andere meer toegespitst op deelgebieden.

Iedere kunsthistorische theorie gaat uit van een idee over wat er belangrijk is in een kunstwerk, wat het kunstwerk tot kunstwerk maakt, of wat het op een andere manier relevant maakt, en hoe de verschillen tussen kunstwerken begrepen kunnen worden.

Verschil tussen theorie en methode

Theorie en methode liggen vaak zozeer in elkaars verlengde dat het verschil tussen beide begrippen moeilijk aan te wijzen is. Maar globaal kan je het volgende onderscheid aanhouden.

  • De theorie is het wetenschappelijk kader dat je helpt als je je onderzoeksvraag formuleert om vast te stellen wat de belangrijke aspecten van het kunstwerk zijn dat je wil gaan onderzoeken.
  • De methode is de manier waarop je vervolgens een antwoord op die vraag gaat proberen te bereiken.

De meest omvattende en minst specifieke kunsthistorische theorie is de kunstgeschiedenis als historische discipline. Als kunsthistoricus ga je immers uit van de veronderstelling dat kunst historisch bepaald is, dat we belangrijke inzichten over kunst verwerven door de historische ontwikkeling ervan te analyseren, en dat de kunst uit een periode wordt bepaald door de toenmalige omstandigheden. De eerste die op die manier de ontwikkeling van de kunst beschreef was Johann Joachim Winckelmann (1717-1768).

Meer over Winckelmann Johann Joachim Winckelmann (1717-1768) wordt gezien als de grondlegger van de wetenschappelijke beoefening van de kunstgeschiedenis als historische discipline. Hij deed namelijk systematisch feitenonderzoek, en hij bracht die feiten bij elkaar vanuit een historische theorie. Hij beschreef de ontwikkeling van de kunst van de klassieke oudheid vanuit de context van de specifieke historische omstandigheden waaronder de werken waren ontstaan. Hij deed dat in zijn boek Geschichte der Kunst des Althertums uit 1764.
Formalisme gaat uit van de gedachte dat een kunstwerk in de eerste plaats betekenis heeft door de vormen, kleuren en materialen waaruit het is opgebouwd. Vanuit dat principe wordt dus ook de ontwikkeling van de kunst in de loop van de geschiedenis beschreven en begrepen. Formalistische principes zijn de grondslag van het aanwijzen van stijlen en stijlontwikkelingen.

Het formalisme als kunsthistorische theorie is ontwikkeld in de loop van de negentiende eeuw. Niet toevallig viel die ontwikkeling samen met de toenemende waardering voor de veelal voorstellingsloze kunstnijverheid, en sloegen juist ook in die tijd sommige kunstenaars het pad in dat omstreeks 1900 zou uitmonden in de abstracte kunst.

Meer over formalisme Heinrich Wölfflin (1864-1945) geldt als de meest invloedrijke kunsthistoricus op gebied van de theorie van het formalisme en de stijlontwikkeling. Zijn boek uit 1915, Kunstgeschichtliche Grundbegriffe: das Problem der Stilentwicklung in der neueren Kunst, is talloze malen herdrukt en vertaald, bijvoorbeeld in 2015 (Principles of art history: the problem of the development of style in early modern art).
Iconografie en iconologie richten zich op de inhoud van het kunstwerk, op de betekenis. Dat veronderstelt het herkennen van symboliek, zoals een afbeelding van een duif met een takje in de snavel die hoop of vrede kan betekenen. Het traceren van de symboliek heet iconografie.

Maar het maakt uit of die duif is afgebeeld op een vroegchristelijke grafsteen, dan wel op een pamflet uit de Koude Oorlog. De interpretatie van de symboliek in de context van de culturele, sociale, politieke en economische omstandigheden noemen we iconologie.

De belangrijkste theoreticus op het gebied van de iconografie en iconologie was Erwin Panofsky.

Meer over iconografie en iconologie Iconografie kent een lange geschiedenis. Maar de term iconologie en een systematische beschrijving van de begrippen en achterliggende gedachten daarvan zijn in 1939 geformuleerd door Erwin Panofsky (1892-1968) in zijn boek Studies in Iconology: Humanistic Themes in the Art of the Renaissance.

Voor sommige kunsthistorici ligt de essentie van een kunstwerk in de relatie met de economische, sociale of politieke context ervan. Die context is volgens hen meer dan een decor: het bepaalt concreet de aard en de betekenis van het kunstwerk. Dat wat samenvattend ‘de sociale geschiedenis van de kunst’ genoemd wordt, is vooral ontwikkeld in het derde kwart van de twintigste eeuw.

Meer over de sociale geschiedenis van de kunst Arnold Hauser (1892-1978), die in 1951 een studie publiceerde over The Social History of Art, heeft veel invloed gehad op de aandacht voor de sociale geschiedenis van de kunst. Hij ging er van uit dat de beslissingen van de individuele kunstenaar in het maken van een werk ondergeschikt zijn aan de invloed van politieke en economische ontwikkelingen. Dat is idee is later sterk genuanceerd.

 

Vanaf de jaren zeventig zijn er ook kunsthistorici voor wie inzichten over feminisme of  gender het theoretisch kader vormen. Daarbij gaat het niet alleen om onderzoek naar het werk van vrouwelijke kunstenaars, maar om een geheel van interpretatie en waardering dat anders is dan het traditioneel door mannen gedomineerde kader. In de jaren negentig zijn er vergelijkbare kunsthistorische benaderingen ontstaan vanuit de belangstelling voor seksuele diversiteit en postkolonialisme.

Meer over emancipatoire opvattingen en kunstgeschiedenis In 1971 publiceerde Linda Nochlin in het tijdschrift Art News een essay getiteld ‘Why Have There Been No Great Women Artists? Dat stimuleerde de aandacht voor vrouwelijke kunstenaars in het kunsthistorisch onderzoek sterk. Vision and Difference, in 1987 gepubliceerd door Griselda Pollock, markeert de ambitie om tot een nieuw theoretisch kader te komen voor de rol van de vrouwen in de wereld van de cultuur. De boeken van Whitney Davis, Gay and Lesbian Studies in Art History, en van Homi Bahbha, The Location of Culture, allebei uit 1994, ontwikkelden vergelijkbare ambities voor respectievelijk de seksuele diversiteit in de samenleving en de postkoloniale inzichten.

Naast de theorieën die hierboven zijn genoemd, zijn er nog vele andere die in het kunsthistorisch onderzoek van nut kunnen zijn. Zo is er specifiek voor de architectuurgeschiedenis de typologie, die uitgaat van de samenhang tussen de functie van een gebouw en de vormgeving ervan. Door kunsthistorici worden ook theorieën gehanteerd zoals de semiotiek, die ontleend is aan de taalkunde, of theorieën uit de museologie, het vak dat zich bezighoudt met de geschiedenis van musea en verzamelen.

Veel meer over kunsthistorische theorieën vind je in de bibliotheek aan de Drift, in de rubriek KUN: 20.03.