Logo Universiteit Utrecht

Academische vaardigheden kunsthistorici

41000 Vormgeving

De docent zal je laten weten of je je werkstuk op papier en/of digitaal moet inleveren.

Het kan zijn dat je docent voor de vormgeving eigen aanwijzingen heeft, maar als dat niet zo is volg  je onderstaande richtlijnen.

Teksten die je bij een docent inlevert hebben de volgende opmaak:

  • lettergrootte (font) 12 pt.
  • regelafstand 1,5 (om ruimte te maken voor aantekeningen)
  • enkelzijdig geprint (dat is overzichtelijker bij het lezen)
  • marges bovenaan, onderaan en aan de zijkanten ongeveer 3 cm. (om ruimte te maken voor aantekeningen)
  • nieuwe alinea inspringen
  • de tekst links uitgelijnd, niet uitgevuld (dat leest makkelijker dan uitgevulde tekst)
  • paginanummers

Bij teksten die langer zijn dan enkele honderden woorden zijn tussenkopjes prettig voor de lezer.

Je cursiveert in de lopende tekst:

  • titels van kunstwerken,
  • titels van boeken, tijdschriften en kranten (maar titels van artikelen geef je tussen dubbele aanhalingstekens),
  • niet-Nederlandse woorden en begrippen zoals: dédain, trait-d’union, en passant, Fremdkörper, not amused.

 Niet gecursiveerd worden:

Let op: Bij citaten handhaaf je de cursivering van de oorspronkelijke tekst.

Je volgt je eigen voorkeur in de plaatsing van de afbeeldingen: verspreid door de tekst dan wel in een apart katern.

Bij grotere werkstukken, dat wil zeggen met meer dan vijf pagina’s tekst, zal de lezer een inhoudsopgave prettig vinden.

De inhoudsopgave is geen onderdeel van de inhoudsopgave.

Je nummert je bijlagen, voorziet ze van een titel en eventueel toelichting, en een verantwoording van de herkomst van de informatie.

Werkstukken van meer dan één pagina voorzie je van één nietje. Alleen de eindversie van je eindwerkstuk of een omvangrijk stageverslag werk je af met een ringbandje, snelhechter of iets dergelijks.

→ Heb je er een duidelijk herkenbare indeling gemaakt met een

  • inleiding
  • middendeel (hoofdstukken /paragrafen /subparagrafen)
  • conclusie

→ Heb je in de inleiding een onderzoeksvraag (of hypothese) geformuleerd, die je in het middendeel behandelt?

→ Heb je in de inleiding ook de volgende zaken behandeld:

  • wetenschappelijke kader
  • theoretisch kader
  • methode

→  Heb je in de conclusie antwoord gegeven op de vraagstelling uit de inleiding?

→  Geef je voor iedere bewering gefundeerde argumenten?

→ Heb je de tekst zo geformuleerd dat ook een relatieve buitenstaander begrijpt wat je bedoelt?

→ Heb je uitsluitend informatie opgenomen die in dienst staat van de beantwoording van de vraagstelling?

→ Weet je zeker dat je stukken tekst die je letterlijk uit andere bronnen hebt overgenomen, als een citaat hebt aangegeven?

→ Heb je bij ieder citaat een noot gemaakt?

→ Weet je zeker dat je stukken tekst die je geparafraseerd hebt zo hebt geformuleerd en van een noot hebt voorzien dat de lezer kan weten dat je ideeën van een ander aanhaalt?

→ Zijn de noten en de bronnenlijst geformuleerd volgens de richtlijnen van de opleiding?

→ Heb je een papieren versie hardop voorgelezen om stijl en taal te controleren?

→ Zijn alle afbeeldingen verbonden met de tekst?

→ Zijn de bijschriften bij de afbeeldingen en de afbeeldingenlijst omschreven volgens de richtlijnen van de opleiding?

 Heb je de spellingscontrole toegepast?