Logo Universiteit Utrecht

Academische vaardigheden kunsthistorici

3240 Beeldbeschrijving: Beeldhouwkunst

Je begint met een globale omschrijving van het object:

  • een levensgroot bronzen ruiterstandbeeld op een hardstenen sokkel
  • een ivoren reliëfje

Vervolgens beschrijf je de andere aspecten systematisch, afhankelijk van de aard en vorm van het object.

Je beschrijft en analyseert een beeld anders dan een ‘plat’ kunstwerk, zoals een schilderij. Het is immers een driedimensionaal object. Meestal kun je er omheen lopen. Het is daarom van belang eerst de volgende vragen te beantwoorden:

  • hoe ziet het beeld er van verschillende kanten uit?
  • heeft het beeld een hoofdaanzicht?

Vervolgens kun je andere aspecten beschrijven en analyseren. De volgende aspecten hoeven niet in een bepaalde volgorde aan bod te komen. Wel zal je merken dat de aspecten, voor zover van toepassing, met elkaar in verband staan.

  • de verhouding tussen de delen / vormen
  • het materiaal
  • het oppervlak (glad / ruw / glanzend / sporen van de bewerking)
  • invloeden van weer en tijd (verkleuring, verwering, patina)
  • de kleur, anders dan die van het materiaal zelf; polychromie, kleurige afwerking
  • de sokkel en de verhouding sokkel – beeld
  • aangebrachte teksten
  • de verhouding van het beeld tot zijn omgeving (originele locatie) of zijn opstelling in een museum.

Tip: gebruik een fototoestel of camera om je analyses te ondersteunen.

N.B. Reliëfs behoren uiteraard ook tot de beeldhouwkunst, maar omdat ze niet vrijstaand zijn, zijn een aantal van de hierboven genoemde aspecten niet van toepassing. Wel kun je nog letten op:

  • de mate van reliëf / driedimensionaliteit
  • schaduwwerking

 

Een voorbeeld van een beeldbeschrijving van een beeldhouwwerk vind je hier.